Flashback: Oneindig vermaak met PlayTime
Er zijn weinig filmproducties zo megalomaan als Jacques Tati’s PlayTime (1967). De filmmaker besloot om in het zuidoosten van Parijs zijn eigen modernistische stad te bouwen – die al snel Tativille gedoopt werd. Tativille kostte een fortuin, bezat de oppervlakte van 2.5 voetbalvelden en er werd 50.000 kubieke meter beton gebruikt om de wegen en gebouwen te kunnen aanleggen. Het succes van PlayTime bleef uit en Tati werd financieel geruïneerd door het project, een klap die hij nooit echt te boven kwam. Als je de film vandaag bekijkt, is het ergens begrijpelijk dat een publiek eind jaren ‘60 er nog niet klaar voor was. Het is een project dat zijn tijd ver vooruit was en een maximale inspanning van de toeschouwer vraagt. Maar voor wie bereid is om die te leveren, levert PlayTime eindeloos vertier op.
De bekende Monsieur Hulot (vertolkt door Jacques Tati zelf) treedt net als in Mon Oncle (1958) en Les Vacances de Monsieur Hulot (1953) nog altijd op. Ditmaal is hij alleen niet meer het hoofdpersonage, dat is namelijk Tativille zelf. Net als dat er geen menselijke hoofdpersonages zijn, kent PlayTime ook geen centrale plotlijn. Kort gezegd kan je stellen dat het verhaal een etmaal in de stad bestrijkt aan de hand van tal van personages, waaronder Monsieur Hulot en een Amerikaanse toeriste, beginnende op een vliegveld en eindigend in een restaurant.
Naast een gebrek aan duidelijk plot, bevat de film ook geen centrale actie in het beeld. Waar conventionele filmmakers meestal de ogen van de toeschouwer naar één handeling of personage leiden, zijn er in PlayTime eigenlijk altijd meerdere dingen gaande. De film bevat ook geen enkele close-up, maar alleen maar shots met een voorgrond, middenplan en achtergrond, waarin zich altijd meerdere handelingen tegelijkertijd afspelen. Samen met zijn cinematografen Jean Badal en Andréas Winding ontwikkelde Tati speciale 70mm groothoeklenzen voor de film, die het volledige beeldvlak scherp houden. Dat levert enorm rijke composities op, waarin het speuren is naar details.
Iets waar bijvoorbeeld voortdurend mee gespeeld wordt, is de transparantie van glas: Tativille bestaat uit wolkenkrabbers en kantoorgebouwen met glazen deuren en grote ruiten, die het onderscheid tussen binnen- en buitenruimte vervagen. Er zijn bijvoorbeeld scènes die zich in showrooms afspelen, maar waarin je tegelijkertijd de volledige straat kan zien – en het drukke verkeer dat er rijdt. In de moderne grootstad is alles transparant. Dat idee wordt uiteindelijk geridiculiseerd in de tweede helft van de film, waarin een portier van een restaurant de glazen deur steeds open houdt voor binnenkomende gasten. Monsieur Hulot heeft niet door dat dit een deur is en breekt hem bij binnenkomst in duizenden stukjes. Om dit te verdoezelen neemt hij de rol van portier over en houdt hij enkel de deurklink voor hen open. De gasten hebben niet door dat er aan deze deurklink geen deur vastzit. Transparantie kan ook bedrieglijk zijn.
Niet alleen visueel is PlayTime een verbluffende film, ook het geluidsontwerp verdient veel lof, iets wat David Lynch ook zwaar bewonderde aan Tati. Er wordt weinig gesproken in de film, alleen een soort kakafone mix van Frans en Engels, dat samensmelt in een dof geroezemoes. Zo is er een shot in Playtime dat uit vier afzonderlijke geluidslagen bestaat: een Amerikaanse toeriste die converseert met haar vriendin, een menigte toeristen die hen al converserend voorbij steekt, het gebrom van het verkeer op straat, en meest significant: het schel gefluit van een verkeersbegeleider (gespeeld door Tati zelf). De verkeersbegeleider bevindt zich helemaal in de achtergrond van het beeld, maar het opvallende gefluit trekt de aandacht naar hem toe. Beeld en geluid werken zo op een mooie manier samen.
PlayTime is een film die de toeschouwer niet alleen maar aan het werk zet, maar hen ook veel vrijheid biedt. Het klinkt misschien wat pompeus, maar als je er gevoelig voor bent, laat de film je de wereld op een andere manier ervaren dan je daarvoor gewoon was. De talrijke komische situaties die Tati in het alledaagse creëert, begin je ook in je eigen leven te herkennen. Of zoals hij het zelf ooit verwoordde: “Ik wil dat de film begint als de toeschouwer de zaal uitloopt”.
Vanaf 29 juli terug in de cinema