RECENSIE: Agatha's Almanac
De laatste seizoenen van de taaie tante
Rondbanjeren in de tuin met een kras besje doet deugd in Agatha’s Almanac, een
documentaire met een nostalgische kijk op een stokoude plantrekker.
Gedurende zes jaar volgde debuterend cineaste Amalie Atkins haar bejaarde
maar meer dan kwieke tante Agatha, een teruggetrokken dame die al haar tijd
en middelen schenkt aan de enorme tuin die zich uitstrekt tot ver voorbij haar
verpauperd huisje. In de ogen van de buitenwereld lijkt ze ongetwijfeld een
wat wereldvreemd grootje die vooral met rust gelaten wil worden. Maar Atkins
tuurt met haar camera voorbij dat harnas en toont ons een wijze en
aandoenlijke vrouw die de kijker charmeert met haar wonderlijke kennis over
het tuinieren — nog steeds een therapeutische bezigheid bij uitstek.
“Je kan een leven vol hoop, liefde en vreugde hebben, maar het leven is niet
altijd gemakkelijk,” merkt de met stramme spieren en kromme rug vervloekte
Agatha op. Haar leeftijd speelt haar parten — we volgen op minder dan
anderhalf uur de handvol jaren voorafgaand aan haar 90ste verjaardag —
maar ze doet dapper voort. De zaadjes moeten in de grond, de aardbeien
moeten geplukt worden, de vele nodige herstellingen stapelen zich op. De
eenvoud van het bezig zijn charmeert, waardoor de film doet denken aan
onthaastingsfilms als Perfect Days (Wim Wenders) en The Straight Story (David
Lynch). Vooral Agatha’s DIY-aanpak zet aan tot glimlachen: conservenblikjes
krijgen een tweede leven in het ondersteunen van komkommerplanten, ze
herstelt al wat kapot is met ducttape, ongeveer alles bewaart ze in bokalen.
Agatha is een rasechte overlever; zoveel is duidelijk na het openingskwartier.
Maar wat schuilt er voorbij dat pantser, waarom is ze zo graag op zichzelf?
Atkins doorspekt haar film met Agatha’s monologen, afgevuurd op de cineaste,
waarbij ze al haar tips & tricks deelt. Het doet denken aan een solitaire figuur
die voor het eerst in lange tijd met iemand kan praten en vervolgens urenlang
blijft doorgaan. Agatha heeft overduidelijk nooit een eigen gezin gehad. Ze
vertelt over haar aanbidders van vroeger, en hoe er nooit een relatie uit
voortvloeide: “He got married, but not to me.” Atkins lijkt een portret van
eenzaamheid en eigengereidheid te suggereren. Misschien heeft de moestuin
de leegte in de liefde opgevuld. De kijker mag er gerust het zijne of hare van
denken.
De weelderige, groene setting draagt bij tot het romantisch verbeelden van de
omgang met de natuur. Op de knieën zitten wroeten in de aarde is hard labeur,
maar tevens een zingeving die neigt naar het spirituele. Agatha’s tuin is haar
leven, haar broodnodige houvast in een leven waarin ze haar plaats misschien
niet vond. Atkins creëert zodoende een oord van berusting: symmetrische
beeldkaders die een visuele rust uitstralen, aangevuld met een zee aan speelse
detailbeelden — het aantal close-ups van vruchten valt niet bij te houden.
De grootste verdienste schuilt in het camerawerk, want Agatha’s Almanac
werd opgenomen op 16 mm-film. Waar een hedendaagse kijker digitaal
camerawerk zou verwachten, met haarscherpe beelden en realistische
kleurenweergave, krijg je hier een tegenovergesteld resultaat: de warme gloed
van pellicule doet meer dan idyllisch aan; het gesukkel met de scherpstelling
roept een heimwee naar vervlogen tijden in het leven, waarvan vele kijkers
niet eens weten dat ze het missen. Atkins’ film biedt een bitterzoete vlucht naar
het verleden, tijden van grotere eenvoud.
De docu bezondigt zich niet aan al te grote fouten, maar het vermoeden is er
wel dat de regisseur na zes jaar filmen te veel materiaal had: de notie van
natuurrust die de film vooropstelt, ziet zich niet weerspiegeld in het te hoge
(montage)ritme. Misschien was het tonen van een beperkt aantal langer
uitgesponnen scènes van leegte zinvoller geweest dan de eindeloze (en
repetitieve) beeldenstroom van vele kleine fragmenten. Die vele frivole close-
ups werken uiteindelijk eerder tegen dan voor de film. Atkins mocht gerust de
verveling een eind meer omarmen. Het zou thematisch beter aansluiten bij het
bestaan van haar protagoniste.
Dat ietwat bruuske ritme neemt allerminst weg dat deze oprechte mijmering
onze sympathie voor Agatha in het leven roept – ze lijkt weggeplukt uit een tijd
van weleer en hoort niet in deze moderne en gejaagde wereld. Sterven zou
best oké zijn, merkt ze ergens op. Je zou er graag eens een middag mee
keuvelen, maar ze zou zeggen dat ze geen tijd heeft voor je, want er is werk te
doen. Om je vervolgens uren de oren van de kop te zeuren.
Met Agatha Block. Canada, 1u26.