INTERVIEW: Emmanuel Marre en Swann Arlaud over Notre Salut, de collaboratiefilm die het Festival Van Cannes deed daveren
Na Rien à foutre (2021) keert de Belgische cineast Emmanuel Marre terug naar Cannes met Notre Salut, een grootse kroniek over collaboratie, en nog wel geïnspireerd op de correspondentie van zijn overgrootvader. Een radicale film die op het festival van Cannes niet onopgemerkt is gebleven. We spraken met de cineast en met acteur Swann Arlaud.
- Vertaald door Zita Meeusen
Emmanuel, de film is geïnspireerd op de correspondentie tussen uw overgrootouders tijdens de Tweede Wereldoorlog. Wat heeft u ertoe gezet om deze film juist nu te maken?
Emmanuel Marre: Een film maken kan nu eenmaal tien jaar duren (lacht). Ik ontdekte de correspondentie via een tante en ben er tien jaar geleden mee aan de slag gegaan. De film vereiste echter een bepaalde financiële draagkracht en ervaring die ik nog niet had. Als debuutfilm zou dit project moeilijk te realiseren zijn geweest. De correspondentie bestrijkt de hele oorlog. Het leek me interessant om die periode te doorkruisen zonder de platgetreden paden te volgen, zonder ons te beperken tot de grote historische keerpunten, maar juist de kronkelige weg van het dagelijkse leven te volgen. Mijn overgrootvader was een nogal waardeloos en grappig figuur, maar tegelijk ook angstaanjagend. De Henri uit de film is een fictief personage, gebaseerd op hem. De combinatie van het groteske, het humoristische en de gruwel fascineerde me. Toen ik de correspondentie had gelezen, ben ik samen met mijn broer (in de film speelt hij Henri’s overste) archiefonderzoek gaan doen. Ik vond het opvallend hoe modern de taal was en hoe de administratieve processen in hun werk gingen. Zo botste ik op een filmische uitdaging: hoe kunnen we het gevoel oproepen dat we de geschiedenis beleven, in het heden, alsof we niet weten hoe ze gaat aflopen?

Het project is bijzonder eigenzinnig. Ik kan me voorstellen dat u niet elke dag een voorstel van deze aard krijgt, Swann. Hoe bent u bij de film betrokken geraakt?
Swann Arlaud: Emmanuel en ik hadden elkaar al eerder ontmoet, we waren geen onbekenden. Hij heeft me gebeld om te zeggen dat hij me een scenario wilde toesturen en dat hij graag proefopnames wilde maken. Ik had een paar van zijn kortfilms gezien, en ook Rien à foutre, waar ik echt van had genoten. Ik wist ook dat hij veel met improvisatie werkte, en dat wakkerde mijn enthousiasme nog meer aan. Toen hij me vertelde dat het een historische film was, baalde ik eigenlijk (lacht). Zijn manier van werken vereist namelijk totale vrijheid, en ik zag mezelf die vrijheid wel hebben in 2025, maar in de jaren veertig... Ik vroeg me af hoe we met het taalgebruik zouden omgaan, maar hij stelde mij gerust en zei: ‘De taal, daar gaat het echt niet om.’Ik las het scenario en vond het bijzonder boeiend. De film en het scenario liggen trouwens heel dicht bij elkaar. Het idee om de geschiedenis te bekijken vanuit ‘het normale leven’, de banaliteit en de kleine details, vond ik geweldig. Maar, ik dacht dat de rol niets voor mij was. De technocraat, die technische ingesteldheid, die manier van denken... Ik kreeg er geen vat op en ik had het gevoel dat ik niet de juiste persoon was. Daarop zei Emmanuel dat het iemand was die een pak droeg dat hem eigenlijk te groot was. Het is iets wat me wel vaker overkomt: denken dat ik niet opgewassen ben tegen een personage, waarna iemand me vertelt dat het juist gaat om iemand die zelf niet opgewassen is tegen zijn rol (lacht). Ik vind het altijd interessant om op die manier personages van onderaf te benaderen, om ze vanuit hun tekortkomingen te doorgronden.
De film wijkt sterk af van het beeld dat we doorgaans hebben van een historische film over de Tweede Wereldoorlog. Van waar kwamen je ideeën op vlak van enscenering, belichting en cameravoering?
Emmanuel: Er speelden verschillende dingen mee. Omdat we met improvisatie zouden werken, moesten we met natuurlijk licht filmen, anders werd de vrijheid van de acteurs beperkt. Er mochten geen filmspots in beeld zijn. Om dit te realiseren vroegen we ons samen met de cameraman af wat vandaag, qua materiaal, het equivalent zou zijn van de filmploegen die destijds een beeld op camera vastlegden. Ze werkten toen bijvoorbeeld vaak met een zoomlens en twee brandpuntsafstanden. Daar hebben we ons op gebaseerd. Soms gebruikten ze ook een draagbare lamp wanneer er onvoldoende licht was. Voor de avondscènes die zich binnen afspeelden hebben we daarom letterlijk een zaklamp aan de camera bevestigd. Het was niet de bedoeling om de periode zo getrouw mogelijk na te bootsen of met dezelfde pellicule te werken. We wilden eerder een gevoel van directheid creëren. Je hebt het heden van de historische tijd, en je hebt het heden van de toeschouwer. Voor deze film vroegen we ons af hoe we die twee met elkaar konden laten samenvallen op zintuiglijk niveau.

Hoe hebt u uw personage benaderd? Het is een historische figuur, maar tegelijk lijkt hij ook bijzonder hedendaags.
Swann: Het begon met de proefopnames, zo’n dag duurt vijf uur. Er zijn al kostuums, we staan op een set en Emmanuel filmt. Het is eigenlijk al echt werk, niet te vergelijken met een casting. Emmanuel heeft na afloop het beeldmateriaal gemonteerd en naar mij doorgestuurd, zodat we het samen konden bespreken. Hij zei meteen: ‘Het werkt niet.’, en ik antwoordde: ‘Je hebt gelijk, het werkt niet.’ (lacht). En zo ging het verder; het hele proces draaide om twijfel. Je moet voortdurend vragen stellen en je zal nooit helemaal begrijpen waarom het personage doet wat hij doet. Van scène tot scène probeerden we het vraagstuk uit te diepen en een antwoord te vinden op de anomalie die Henri Marre is. Is hij een opportunist? Een carrièreman? Een fervente aanhanger van Pétain? Suïcidaal? Blind? Een idioot? Ik ben er zelf niet van overtuigd dat ik een definitief beeld van hem heb. Ik herinner me nog een moment halverwege de opnames dat ik dacht Henri eindelijk te begrijpen. Emmanuels antwoord was: ‘Pas maar op.’ (lacht)

Vertaald door Zita Meeusen.