Een avond in gesprek met Darren Aronofsky
New Yorkse provocateur Darren Aronofsky, maker van spraakmakende films als Requiem for a Dream en Mother!, was op 23 juni te gast bij Brusselse club TheMerode voor een exclusieve masterclass. De aanwezigen zagen de cineast bevlogen ingaan op onderwerpen als de huiveringwekkende menselijke aard en de rol van razernij in zijn werk. De verzengende hitte kregen ze er gratis bij.
De avond ging door in het kader van NewFrames (het Internationale Filmfestival voor Advocacy), een nieuw platform dat cinema inzet als instrument om maatschappelijke kwesties te belichten: klimaatproblematiek, auteursrecht en duurzame ontwikkeling zijn maar enkele van de aandachtspunten. De allereerste editie volgt pas in voorjaar 2027, maar deze week ging in Brussel alvast de pre-launch door, met Aronofsky als hoofdgast – met onder meer een gesprek in het Europees Parlement over de impact van kunstmatige intelligentie op cinema. Tijdens deze masterclass ging kunstenaar Kendell Geers in gesprek met de befaamde auteur-filmmaker.
Toen de cineast onder luid applaus plaatsnam op het podium verspilde Geers geen moment. Hij peilde naar de rol van woede in Aronofsky’s klimaatfilm Mother! – niet onverwacht gezien de aard van het festival. Het antwoord prikkelde. Via een Jungiaanse psychiater kwam de regisseur in contact met zijn “shadow”. Het scenario van Mother! volgde een week later en werd doelbewust neergepend vanuit een uit die schaduw vloeiende kwaadheid – naar het voorbeeld van een rockster die in een enkele opwelling vanuit een onweerstaanbare, emotionele furie een lied kon neerpennen. Zo heeft hij die film willen maken, als een rocksong.
Klimaatproblematiek houdt hem bovendien al zijn hele leven in de ban, met deelname aan groene initiatieven in zijn jongere jaren en, ten tijde van zijn film Noah (wat hij omschrijft als zijn eerste klimaatfilm), een sensibiliseringsreis naar Arctisch Alaska waarbij hij andere beroemdheden wou engageren voor dit doel.
“Maar kan je de planeet redden met personages die getuigen van een vreselijke menselijke natuur,” vroeg Geers zich terecht af. Aronofsky schetste hier hoe hij aan de hand van zijn protagonisten wel de pijn en ellende van alles wil voelen, maar tegelijkertijd houdt hij vast aan het idee van hoop. De redding schuilt in onszelf, maar hij vraagt zich af: “When are we going to get our shit together?” Zo wijst hij iedereen terecht die meent dat Mother! een hopeloosheid verkondigt, wijzelf incluis (ook al is de kijker heus vrij de film zodoende te interpreteren).
Hij voelt die razernij nog steeds, maar enkel wanneer hij er bewust bij stilstaat. Het vaderschap heeft namelijk een sterke, positieve evolutie teweeggebracht bij de regisseur. De menselijke soort mag vandaag dan nog meer verdeeld zijn dan in het begin van zijn carrière, toch belicht hij in zijn meest recente films eerder helden die mensen samenbrengen. Charlie, hoofdfiguur uit The Whale, is er het mooiste voorbeeld van. De joodse filmmaker verwees hier naar poëzie die geschreven werd in concentratiekampen, want in de grootste ellende is positiviteit nodig. Ondanks zijn evolutie meent hij trouw gebleven te zijn aan zijn kern. Het klinkt mooi, maar we zijn niet ten volle overtuigd van die stelling. Het vuur dat ooit zo welig tierde, staat al een paar films te flikkeren als waakvlam. Dit is geenszins bedoeld als kastijding – we blijven fan van de razernij die we diep in de man nog steeds voelen gloeien.
Die blik naar binnen fascineerde, maar Geers moest de klok in de gaten houden en verschoof de aandacht naar de impact van AI op de cultuursector – een volgend stokpaardje van NewFrames. Aronofsky beschouwt Orwells 1984 dichterbij dan ooit, met social media die algoritmegewijs inspelen op onze behoeften en ons zodoende sturen en bespelen. Wat we te zien krijgen, is wat we geloven – of zoals Geers het zegt: “In the middle of the word ‘believe’ is ‘lie’.”
Volgens de cineast werden de traditionele controlemechanismen uitgehold door het internet: iedereen kan zich vandaag als journalist presenteren en een eigen waarheid verspreiden. Ons vertrouwen in het gepresenteerde narratief is verdwenen. Artificiële intelligentie versnelt dit proces. Hij pleit volop voor het omarmen van AI, omdat we dit niet enkel mogen overlaten aan de technici. Kunstenaars zijn nodig om het mee in goede banen te leiden. De tools zijn er, maar wie zal ze gebruiken?
Het gesprek bewoog daarna richting cancel culture, waar de regisseur zelf al mee in contact kwam – een bekend voorbeeld was de casting van de niet-obese Brendan Fraser als de door extreem overgewicht geplaagde Charlie in The Whale. Dat leidde online tot kritiek rond representatie, het gebruik van een fat suit en de vraag of een acteur met obesitas niet beter geplaatst was voor de rol. Maar Aronofsky merkte op dat de veeleisende opnames niet haalbaar zouden zijn voor een dergelijk persoon, alsook dat die acteur onverzekerbaar zou zijn. Wat hem al helemaal tegen de borst stootte bij die kritiek, was dat de film net een onderzoek was naar empathie.
“Art is art” en dat moet gescheiden worden van achtergrond. Maar tegelijkertijd erkent hij dat de maker willens nillens een context toevoegt, om te besluiten met “de problematiek is complex” – een wat te gemakkelijke afronding van het onderwerp voor een maker die al graag eens een standpunt inneemt.
Geers raakte verder nog genderproblematiek aan en merkte speels de witgelakte vingernagels van de regisseur op. Het leidde prompt tot een “You should see my toenails,” gevolgd door de wereldberoemde cineast die een schoen en een van zijn knettergekke paarse kousen uittrok (zagen we er pizzapunten op afgebeeld?) om vijf witgelakte teennageltjes ten tonele te spreiden. Een surreëel moment, dat geenszins iets zinnig leek te zeggen over de mate waarin hij de gewijzigde dynamiek in hedendaagse mannelijkheid omarmt.
Een uur in aanwezigheid van de spraakzame filmmaker was uiteraard snel voorbij en Geers kon onmogelijk diep peilen naar de verschillende onderwerpen die aan bod kwamen. Na het teennagelmoment gaf hij het woord aan het publiek voor enige vragen. Enkele fun facts over zijn debuut Pi kwamen aan bod: zijn moeder die een gil sloeg toen ze de mieren (een terugkerend motief in die film) ontdekte in de koelkast; de producent die na een 36 uur durende shoot een “What the fuck are you doing?! We have to return the camera!” naar zijn hoofd slingerde. Iemand vroeg ook naar zijn relatie met God, wat geen evidente vraag bleek om voorgeschoteld te krijgen. Aronofsky omschrijft zichzelf als een trotse New Yorkse jood, fier op zijn identiteit. Maar zijn notie van wie of wat God is, strookt volgens hem niet met wat de meesten menen. Veel verder dan dit kwam hij niet, alsof de vraag hem dwars zat en hij geen duidelijk antwoord wilde geven.
Voor een filmmaker die altijd bevlogen en doelbewust onsubtiel kan brullen met zijn werk, lijkt het omschrijven van een onderwerp als ‘ingewikkeld’ een te simplistische houding. Alsof hij met zijn films meer zelfzeker lijkt dan wanneer hij erover in dialoog gaat met zijn publiek – zo blijkt de cineast ook maar een mens van vlees en bloed. De eenrichtingscommunicatie van kunst is soms (te) handig voor de maker.
De avond eindigde met een vraag over de politieke dimensie in kunst. “It’s super complicated” was nogmaals het antwoord. Aronofsky rondde het netjes af met de opmerking dat het fout is om extreme standpunten in te nemen – hier kijkt hij zowel naar extreem links als rechts: “We moeten geen slogans uitdragen, maar wel onze menselijkheid.” Het applaus weerklonk luid, en met een heuse mike drop en kamerbrede glimlach rondde hij zijn eigen interview af en verliet bliksemsnel het podium – een mooi staaltje typische New Yorkse bravoure van een Brooklyn Kid.