RECENSIE: THE END OF OAK STREET
Vergeet Jurassic World, The End of Oak Street doet het anders
Een dinosaurus die door het vuilnis van een doorsnee Amerikaanse voortuin wroet: dat beeld stond aan de basis van dit hele project en typeert meteen wat deze film wél goed doet en waar hij tegelijk in blijft steken. The End of Oak Street wil de rauwe kinderverwondering van een achtertuin die plots grenst aan het onbekende laten samensmelten met een familiedrama, en slaagt daar op zijn best verrassend goed in.
Wanneer een mysterieuze kosmische gebeurtenis de volledige buurt Oak Street uit haar vertrouwde wereld rukt, belanden Denise (Anne Hathaway) en Greg Platt (Ewan McGregor) met hun twee kinderen, Audrey (Maisy Stella) en Brian (Christian Convery), plots in een landschap vol dinosaurussen. Terwijl ze op zoek gaan naar hun weggelopen hond Starbuck (een duidelijke knipoog naar Battlestar Galactica), wordt algauw duidelijk dat overleven niet alleen een kwestie is van wegblijven uit de achtertuin, maar ook elkaar niet kwijtraken. Denise en Greg zijn immers al langer uit elkaar gegroeid, nog voor er ook maar één dino in beeld kwam, maar zullen elkaars hulp nodig hebben om dit als gezin te overleven.
Dat huwelijksdrama blijft de sterkste troef van de film. Beide hoofdrolspelers spelen die vervreemding van elkaar geloofwaardig, met stiltes die meer zeggen dan dialoog. Regisseur David Robert Mitchell, bekend van It Follows, koos voor lange, doordacht opgebouwde shots in plaats van een ingewikkelde shotlist, net om die emotionele lagen ruimte te geven. Die keuze werkt: je voelt een cineast die zijn camera niet zomaar ergens neerzet, ook niet middenin een dino-aanval. Het is meteen ook de grootste frustratie: die menselijke laag krijgt zelden de tijd om echt te groeien. Zodra de dino's in beeld verschijnen, en dat gebeurt snel en vaak, verschuift alle aandacht naar overleven, rennen en gillen. De emotionele knoop wordt aangehaald, licht losgemaakt en vervolgens grotendeels aan zijn lot overgelaten. Precies datgene wat de recente Jurassic World-films straal negeerden: personages die iets om het lijf hebben in plaats van hapklaar dino-voer. De film is niet gebaseerd op een boek en heeft ook niet dat narratieve gewicht van een Michael Crichton (de auteur van Jurassic Park), terwijl de dialogen vaak heel functioneel aanvoelen in plaats van karaktergedreven. Het verhaal speelt zich af in de jaren '80 en heeft die Spielberg-vibe, terwijl we ook echo's van M. Night Shyamalans Signs (2002) herkennen.

Visueel valt vooral het dino-design op. De dieren ogen opvallend minder hagedis en opvallend meer vogel dan we gewoon zijn, wat toevallig ook dichter bij recente paleontologische inzichten ligt. Sommige shots zijn onmiskenbaar knap; andere ogen dan weer verrassend nep. Met een budget van naar verluidt zo'n 80 miljoen dollar, tegenover de 150 à 240 miljoen van de laatste Jurassic World-films, is dat te begrijpen, maar het blijft opvallen. De fotografie van Mike Gioulakis (It Follows, Split, Us) laat zich ook voelen in de keuze voor split-diopter-shots (waarbij zowel een close-up op de voorgrond als de ruime achtergrond gelijktijdig scherp in beeld komen), een visuele truc die aan populariteit won met de Brian De Palma films en af en toe nog eens opduikt. Zijn keuze om te werken met subjectieve versus objectieve framing, levert een paar echt memorabele composities op. Maar het wordt ook, vooral in de tweede helft, een beetje een gimmick: een stijlmiddel dat begint te voelen als een visueel effect in plaats van een organische keuze.
Producent J.J. Abrams zit niet achter de camera, dus deze film bleef gespaard van overmatige 'lens flares', maar zijn vingerafdruk zit wel overal op het scenario. Abrams zelf vergeleek de film met een sterke aflevering van The Twilight Zone: je denkt te weten wat je krijgt, maar toch niet helemaal. Dat klopt, alleen is dat in dit geval ook meteen het probleem. Er is een portaal, er zijn veel speculaties, en de film heeft eigenlijk niets te spoilen, omdat er nooit echt iets wordt onthuld. We hebben hier te maken met een soort 'What If' scenario zoals in The Happening (2008), maar het 'waarom' en het 'hoe' ontbreken. Er zitten ook heel wat plotgaten in het verhaal, maar je kan je er moeilijk druk om maken. Dit is in essentie een dino-film en qua verhaal is het op zich al beter dan wat we gewend zijn. Toch, geloofwaardig is deze wereld zelden. Een volledige buurt verdwijnt naar een prehistorisch tijdperk, waar het water en de elektriciteit werden afgesloten, en toch is het uitgerekend het gezin Platt dat bijna als enige door het decor lijkt te dwalen. De meeste shots zijn leeg, met hooguit een dinostaart die decoratief door het beeld zwaait. Het voelt zelden alsof er echt een hele gemeenschap in nood is.
Componist Michael Giacchino, die niet toevallig ook de drie Jurassic World-films van de voorbije jaren scoorde, tilt de spanning knap op, al is het ergens ironisch dat de partituur van de concurrentie hier meeklinkt. Zijn muziek benadrukt precies die momenten waarop het beeld het zelf laat afweten, en dat siert hem meer dan het de film siert.

Kortom, het is een familiefilm met PG13-randjes: hier en daar wordt iemand netjes opgepeuzeld en enkele scènes zijn oprecht schokkend genoeg om echt jonge kinderen thuis te laten. Er zit ook wat humor in de film, inclusief een heel absurd-bizarre scene naar het einde toe, maar het blijft eerder bij een glimlach dan een echte lach. Toch, en dat verrast mezelf enigszins, vermaakte ik me hier beter dan bij de laatste Jurassic World-vehikels, want deze film waagt tenminste iets anders met het materiaal en portretteert mensen waarin je iets herkenbaars ziet, ook al is dat maar de helft van de tijd. Een mooie afsluiter van de zomerblockbusters is het sowieso, en ik verwacht dat ook de box office dat zal bevestigen: zoals Tom Holland het publiek van The Odyssey wist mee te trekken naar Spider-Man: Brand New Day, zo zal Anne Hathaway dat nu klaarspelen voor The End of Oak Street.
Met Anne Hathaway, Ewan McGregor, Maisy Stella, Christian Convery, Jordan Alexa Davis. Verenigde Staten, 1u39.