RECENSIE: Lee Cronin's The Mummy
Lee Cronin’s The Mummy zal de meningen verdelen. De ene helft van het publiek zal de film ervaren als een wedergeboorte van het horrorgenre, de andere als iets wat snel terug in zijn sarcofaag moet.
Een goede graadmeter is Cronin’s vorige film Evil Dead Rise (2023). Wie die onverteerbaar vond, zal voor deze stinkende kadaverlucht en uitgetrokken teennagels waarschijnlijk opnieuw afhaken.
Het verhaal begint in Caïro, waar journalist Charlie Cannon (Jack Reynor) leeft met zijn zwangere vrouw Larissa (Laia Costa) en hun kinderen. Dochter Katie verdwijnt op een dag spoorloos, ontvoerd door een mysterieuze vrouw. Acht jaar later wordt ze levend teruggevonden. In een sarcofaag.
Cronin is duidelijk niet van plan om van zijn derde speelfilm een brave adaptatie te maken. De Ierse cineast zet zijn naam in de titel, alsof hij wil zeggen: dit is mijn mummie. Hij neemt het concept en ontdoet het van al het exotisch-avontuurlijke museumstuk-gedoe, om er in de plaats iets tegenover te zetten dat veel meer verontrustend is, met demonen en een gezonde dosis zwarte humor.
De eigenlijke revelatie van de film is zijn casting, met acteurs die niet meteen A-listers zijn. Natalie Grace is indrukwekkend als Katie: fysiek, bijna woordeloos, tegelijk katatonisch kwetsbaar en demonisch dreigend. Visueel is de film sterk. Cinematograaf Dave Garbett levert beelden die tegelijk imposant en claustrofobisch zijn, en bovendien gefilmd zonder shotlist wat alles levend en bezeten maakt.
Geen perfecte film, door een interne logica die soms hapert en een overbodige slotscène. Maar deze Mummy heeft wel een overtuigde visie. Cronin heeft zich stevig in het genre geschreven. Niet naast John Carpenter of Sam Raimi, maar wel op weg daarheen. Met zijn eigen naam, die hij na deze film niet meer hoeft te verantwoorden.
Met Laia Costa, Jack Reynor, Natalie Grace, May Calamawy. Verenigde Staten, 2u14.