RECENSIE: Good Boy

Deel
RECENSIE: Good Boy

Een losgeslagen jongeman wordt ontvoerd en opgesloten in de kelder van een ogenschijnlijk perfect gezin. Wat begint als een gewelddadige nachtmerrie groeit uit tot een bizarre heropvoedingsoefening waarin de grenzen tussen straf, zorg en obsessie steeds verder vervagen.

De Poolse regisseur Jan Komasa maakte de voorbije jaren indruk met films als Corpus Christi (2019) en The Hater (2020), waarin hij scherpe maatschappelijke observaties verweeft met thema's als identiteit en criminaliteit. Met Good Boy (2025) blijft hij trouw aan zijn fascinatie voor ontspoorde individuen, al giet hij die dit keer in de vorm van een duistere thriller die voortdurend balanceert tussen satire, zwarte komedie en moreel experiment. De film was oorspronkelijk gepland als een Poolstalige productie die zich in Warschau zou afspelen, maar Komasa besloot het project uiteindelijk in het Engels te draaien en naar Yorkshire te verplaatsen. Dat blijkt een slimme zet. De Britse straatcultuur waarin de film zich deels afspeelt—met haar combinatie van alcoholmisbruik, agressie en uitzichtloosheid—vormt een geloofwaardige voedingsbodem voor wat volgt.

Binnen deze context maken we kennis met de 19-jarige Tommy, een relschopper voor wie alcohol, drugs, intimidatie en zinloos geweld dagelijkse kost zijn. Anson Boon speelt hem met een intensiteit die tegelijk afstoot en aantrekt. Tommy is roekeloos, destructief en vaak ronduit verwerpelijk, maar nooit zo eendimensionaal dat hij een karikatuur wordt.

Na een nacht vol excessen wordt Tommy ontvoerd door Chris (Stephen Graham). Wanneer hij weer bij bewustzijn komt, blijkt hij vastgeketend te zitten in de kelder van een afgelegen woning. Chris heeft echter geen plannen om hem te martelen of te vermoorden. Samen met zijn zwaar depressieve vrouw Kathryn (Andrea Riseborough) en hun zoon Jonathan (Kit Rakusen) wil hij hem heropvoeden. Wat volgt is geen klassieke thriller over gevangenschap, maar een steeds ongemakkelijker wordende machtsstrijd waarin straf, opvoeding en oprechte bezorgdheid nauwelijks nog van elkaar te onderscheiden zijn.

Precies daar ligt de grootste kracht van Good Boy. De film plaatst een gewelddadige jongeman tegenover een gezin dat wanhopig probeert orde, fatsoen en controle op te leggen, en laat zien hoe beide uitersten elkaar gaandeweg beginnen te spiegelen. Tommy's agressie is zichtbaar en explosief, maar de obsessie van Chris en Kathryn blijkt uiteindelijk niet minder verontrustend. Hoe langer de situatie aansleept, hoe meer de film onze zekerheden ondergraaft. Tommy, Chris en Kathryn zijn het soort individuen waarvoor je normaal weinig sympathie zou voelen, maar Komasa slaagt erin dat je als kijker met hen meeleeft en dat je hoopt dat iedereen ongeschonden uit deze situatie zal geraken. Tezelfdertijd laat de film zien hoe grensoverschrijdend en toxisch gedrag langzaam kan normaliseren. Wanneer je er lang genoeg aan wordt blootgesteld, begint het bijna vanzelfsprekend te worden en stel je het niet meer in vraag.

De vergelijking met A Clockwork Orange (1971) dringt zich geregeld op, niet alleen door de poging om een gewelddadige jongeman te hervormen, maar ook door de ongemakkelijke bedenkingen die dat oproept. Kun je iemand dwingen een beter mens te worden? En vanaf welk punt wordt een poging tot verbetering zelf een vorm van geweld?

Nog groter is echter de invloed van To Kill a Mockingbird, de roman die Tommy tijdens zijn gevangenschap leest, en die voelbaar is in zowel de thema's als de ontknoping.

Qua stijl en sfeer sluit Good Boy echter nog het beste aan bij de Griekse “Weird Wave” (Dogtooth, Apples) en het vroege werk van Ruben Östlund (Play, Force Majeure). Droge humor, sociale observatie en vervreemding smelten samen tot een prikkelende coming-of-age parabel die nog lang blijft nazinderen.

Met Anson Boon, Stephen Graham, Andrea Riseborough, Kit Rakusen, Monika Frajczyk. Polen/UK, 1u50.


Lees meer