RECENSIE: PRIMETIME
Als presentator van een tv-programma dat jacht maakt op vermoede pedofielen zet Robert Pattinson zijn meest verontrustende vertolking tot nu toe neer.
We zien in close-up de lippen van Robert Pattinson in een spiegel. Hij repeteert een seksueel getinte zin over het gebruik van glijmiddel, alsof hij een Stradivarius aan het stemmen is. Als dat beeld je al doet huiveren, heb je meteen begrepen wat Primetime het beste doet.
Een film over een televisieprogramma dat er zelf al uitzag als een horrorshow kon bijna niet anders dan ongemakkelijk worden. Regisseur Lance Oppenheim weet dat maar al te goed. Het fictiedebuut van de documentairemaker is confronterend, VHS-vuil in zijn beeldvoering en schitterend vertolkt. Toch blijft de film een stuk oppervlakkiger dan hij zelf denkt. Alleen een fenomenale Robert Pattinson maakt dat makkelijk te vergeven.
Het is 2006. Presentator Chris Hansen heeft met zijn reality show To Catch a Predator heeft een woensdagavondslot veroverd, recht tegenover de tv-serie Lost. Samen met producer Andie Bender (Merritt Wever) en de burgerwachtgroep Perverted Justice onder leiding van de obsessieve Xavier (Matthew Maher) lokt hij mannen via chatrooms een huis vol verborgen camera’s binnen. Een lokaas houdt elke bezoeker bezig totdat Hansen de trap af komt, de ongepaste berichten van de beklaagde hardop voorleest en hem uitnodigt om te gaan zitten. Eén van die lokazen is Dan Plumb (Skyler Gisondo), een musicalacteur die op jacht is naar een vakbondskaart. Wanneer de kijkcijfers om een grotere vis vragen, trekt de ploeg naar Texas om een ‘whale’ te vangen.
Robert Pattinson heeft ondertussen een tweede carrière uitgebouwd met mannen bij wie er iets schuilt achter de ogen, en Hansen is misschien wel zijn meest fascinerende specimen tot nu toe. Hij speelt minder een mens dan een beige pak dat heeft leren lopen. De stem draagt alles: de spinnende cadans van een nieuwslezer, de perfecte pauze voor zijn beroemde uitnodiging om te gaan zitten, de glimlach die nooit helemaal zijn ogen bereikt. Bekijk hem alleen in een hotelkamer, nagenietend voor de badkamerspiegel, en je ziet de grap én de gruwel tegelijk.
Pattinson produceerde de film bovendien zelf, en dat valt te merken. Hij beperkt zich niet tot een imitatie van Hansen maar bouwt een volledig personage rond diens stem, houding en zelfbeeld. En ja, er zijn parallellen te trekken met Jake Gyllenhaals personage Lou Bloom uit Nightcrawler (2014). Hansen begrijpt instinctief dat de exploitatie van menselijk leed verkoopt, maar het verschil is dat hij oprecht gelooft dat hij Gods werk verricht. Dat maakt hem misschien nog gevaarlijker. Er is geen knipoog naar het publiek. Oppenheim laat de kloof tussen hoe Hansen zichzelf ziet en wat de camera toont het werk doen.
Reality wordt een nachtmerrie
Oppenheim heeft zijn blik aangescherpt met documentaires als Some Kind of Heaven (2020) en Spermworld (2024), waarin gemeenschappen er aanvankelijk normaal uitzien totdat je er iets te dicht op gaat staan. Hier staat hij héél dicht. De camera van David Bolen drukt zich tegen gezichten tot je de poriën ziet. De kleuren lijken uit te lopen als een te vaak afgespeelde huurvideo en het digitale beeld krijgt een korrelige uitstraling. Zelden fotografie gezien die zo’n spuuglelijk en tezelfdertijd zo aanstekelijk is. Dagen worden bruin, nachten groen en iedereen draagt make-up die net iets te dik is aangebracht. Zelfs Pattinson lijkt de hele film met roze wangen rond te lopen. Alles voelt ook aan als één groot tv-decor. Oppenheim verandert elk stukje Amerika in een podium waarop iedereen in een hinderlaag kan lopen. Die paranoia werkt. Het verklaart waarom de eerste helft je vastgrijpt als een thriller.
De montage van Daniel Garber springt rond met de rusteloosheid van een duim op een afstandsbediening, terwijl Ari Balouzians soundtrack de spanning voortdurend onderhuids laat gisten. Een vrolijke uitbarsting van “Seasons of Love” uit de musical Rent komt dan weer precies op het moment dat je je veilig begint te voelen. De finale in Texas, een beleg op een gazon in de regen, voelt plots als een andere film. De ordinaire televisiehinderlaag verandert in iets dat dicht tegen een oorlogsfilm aanleunt, en Oppenheim ensceneert het met lef.
Die stijl heeft ook een prijs. De film verlaat eigenlijk nooit de visuele taal van de show en biedt je nauwelijks een neutraal beeld om even op adem te komen. Dat versterkt het gevoel van medeplichtigheid, wat slim is. Maar na 110 minuten uitgesmeerde kleuren en opdringerige close-ups begint het ook te vermoeien. Zelfs een spookhuis heeft af en toe een stille gang nodig.

De cast speelt met vuur
De jonge Skyler Gisondo laat gretigheid eruitzien als een symptoom. Zijn personage begint als een naïeve jongen die zijn job als een auditie beschouwt. Hij laat zich door Hansen vleien onder het genot van een drankje en blijkt verrassend goed in het spelen van een dertienjarige. Gisondo’s gezicht verraadt tegelijk de trots om zijn werk goed te doen en de misselijkheid over wat dat werk eigenlijk inhoudt. Hij is in zekere zin het geweten dat de film probeert te bewaren en dreigt bij momenten de man in het beige pak zelfs van het scherm te spelen.
Merritt Wever kauwt ondertussen met dezelfde kalmte op kauwgom als op moraal. Haar Andie behandelt ethiek als een begrotingspost en heeft na de tragedie in Texas nauwelijks tijd nodig om te bedenken wat het voor de kijkcijfers kan betekenen. Het is ijzingwekkend cynisch, al gebruikt de film haar personage minder dan hij zou moeten.
Ook de rest van de cast maakt indruk. In haar eerste filmrol kruipt singer-songwriter Phoebe Bridgers moeiteloos in de huid van lokaas. Haar switch tussen jongen en meisje in de chatroom is tegelijk een slimme illustratie van hoe realitytelevisie de realiteit kan vervalsen. Matthew Maher brengt dan weer een bezwete, obsessieve energie in Xavier, het soort burgerwacht dat misschien wel meer van de jacht houdt dan van de ethiek erachter. Bokeem Woodbine steelt scènes als een Texaanse politiechef die een cameraploeg behandelt alsof ze op een benefietgala waren. Tony Revolori, als de eerste man die in de val loopt, weet zelfs een moment van medelijden op te roepen, terwijl je dat eigenlijk liever niet zou voelen. Jeff Zucker, jarenlang kopstuk bij NBC, speelt zichzelf als de netwerkbaas die de show niet lust, maar wel van de cijfers houdt. Anna Faris heeft als Hansens vrouw dan weer nauwelijks iets te doen, wat een gemiste kans is.

De film verliest zijn tanden
Als Primetime toch aan scherpte inboet, heeft het vooral te maken met script van Ajon Singh, gebaseerd op Luke Dittrichs artikel in Esquire. De eerste hinderlagen knetteren als een geweldige pilootaflevering. Daarna herhaalt het ritueel zich, elke keer iets luider. De film trapt daarmee in precies dezelfde val die hij bespot: escalatie in plaats van inzicht.
De tweede helft blijft rond dezelfde ideeën over Hansens ijdelheid cirkelen. De spanning keert pas terug wanneer de ploeg Texas bereikt en Alex Winter als assistent-officier van justitie Bill Conradt het verhaal binnenstapt. Ook Hansens buitenechtelijke affaire voelt als een losse draad. De film probeert er hypocrisie mee bloot te leggen, maar overspel en kindermisbruik liggen nu toch wel op zulke verschillende morele planken dat de vergelijking ongemakkelijk blijft. Nog problematischer is dat de echte slachtoffers nauwelijks bestaan. Kinderen duiken vooral op als rechtvaardiging, zelden als mensen. Ook de juridische en ethische problemen rond de hinderlagen en mogelijke uitlokking worden nauwelijks onderzocht.
Daar had Primetime veel harder mogen zijn. Critici van To Catch a Predator wijzen al jaren op de manier waarop de show volgens hen vooral de makkelijkste doelwitten viseerde: eenzame mannen, naïevelingen en sociaal onhandige mensen die het geflirt van een lokaas letterlijk namen en zichzelf vervolgens voor de camera zagen instorten. Sommigen waren ongetwijfeld gevaarlijk. Maar de vraag blijft wat er gebeurt wanneer publieke vernedering de plaats inneemt van hulp, preventie of onderzoek naar de omstandigheden die zulke situaties mogelijk maken.
De documentaire Predators van David Osit graaft veel dieper in dat ongemak. Daar komt onder meer een latere aflevering van Hansens streaming-spin-off aan bod waarin een achttienjarige contact zoekt met een vijftienjarige. Wat voor de ene kijker een jacht op een roofdier was, werd door anderen gezien als een meedogenloze valstrik voor een homoseksuele jongen in een verdrukkende conservatieve omgeving. Het bredere debat gaat dan al snel over isolatie, seksuele voorlichting en de maatschappelijke omgevingen waarin kwetsbare jongeren en volwassenen tussen de mazen van het net kunnen vallen.
Primetime toont een hele parade van verdrietige, bibberende mannen voor de camera, maar vraagt zelden wie die mensen eigenlijk waren. Een film die Hansen zo gretig aan de schandpaal nagelt vanwege zijn ijdelheid had minstens even hard mogen graven in de methodes waarmee hij zijn televisie maakte.
Wij kijken. Dat is het probleem.
Toch verdient de film enige vergeving, omdat hij ons ook confronteert met onze eigen honger naar realitytelevisie. We wisten altijd wat de man aan de deur niet wist, dat de camera’s in de muren verborgen zaten en dat Hansen ergens in de coulissen stond te wachten. En toch wilden we het moment van de onthulling zien.
Hoe je tegenover realityprogramma’s staat die menselijke miserie als entertainment gebruiken, zal onvermijdelijk je appreciatie van Primetime kleuren. Als satire mist de film tanden. Als spektakel heeft hij er dan weer genoeg. Voor Belgische kijkers ligt het misschien iets ingewikkelder, omdat To Catch a Predator hier nooit de culturele obsessie is geweest die het in Amerika was. Daardoor gaat een deel van het theatrale plezier en de herkenning verloren. De film blijft niettemin overeind als ongemakkelijk spektakel over televisie, ijdelheid en onze eigen bereidheid om naar andermans ellende te kijken. De echte Chris Hansen zou publiekelijk hebben gemopperd over Primetime. Het suggereert alvast dat Oppenheim ten minste één raak schot heeft gelost.
Met Robert Pattinson, Merritt Wever, Skyler Gisondo, Matthew Maher, Phoebe Bridgers. Verenigde Staten. 1u50.