Van Dust naar Coward
In februari was Dust de eerste Vlaamse film in competitie op de Berlinale in 45 jaar. Het stijlvolle psychologische drama over twee frauderende tech-ondernemers uit West-Vlaanderen — wie zegt daar Lernout en Hauspie? — viel er allerminst uit de toon. Nu is er met het oorlogsverhaal Coward ook in de competitie van Cannes een film te zien die tot over zijn enkels in de Vlaamse klei staat. De verbindende factor: scenarist Angelo Tijssens. “Coward gaat over de Eerste Wereldoorlog zoals Girl over ballet ging.” - RUBEN NOLLET
Het scheelde geen haar of Coward had Cannes niet gehaald. Vlak voor de ultieme deadline had regisseur Lukas Dhont nog grote twijfels of zijn ambitieuze nieuwe film wel klaar zou zijn om getoond te worden aan het selectiecomité van het festival. Volgens de cineast heeft iedereen zijn nek uitgestoken bij dit project, dat zich afspeelt onder de jonge mannen in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Uiteindelijk konden enkele intimi hem alsnog overtuigen, ook al omdat Cannes nu eenmaal het uitstalraam bij uitstek voor dit soort cinema is en — laten we een kat een kat noemen — het doel waar Dhont naartoe had gewerkt.
Wie zich zeker ook opgetogen voelt met de selectie is scenarist Angelo Tijssens. Die heeft al langer een innige verhouding met het festival, al sinds hij mee het script schreef voor IJsland, de kortfilm van Gilles Coulier die in 2009 een uitnodiging in de bus kreeg voor de studentencompetitie in Cannes. Nadien mocht Tijssens nog drie keer mee de rode loper van het Palais op, zowel voor Mont Blanc (opnieuw een kortfilm van Coulier) als voor Dhonts vorige langspeelfilms (en prijswinnaars) Girl en Close.
Intussen beleeft de 40-jarige Blankenbergenaar pas echt een boerenjaar. Eind september verscheen bij uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts Beginnen, zijn derde roman na De randen en Het einde van de straat. In oktober volgde Julian, de eerste langspeelfilm van Cato Kusters naar een scenario dat ze samen met Tijssens schreef. In februari kreeg Dust, waarvoor hij het script leverde, een uitnodiging voor de Berlinale. En nu is er dus het blijde nieuws over Coward.

Wat betekent het voor jou als schrijver om uitnodigingen te krijgen voor grote filmfestivals? Laat staan twee na elkaar?
Angelo Tijssens: Eén per kwartaal voorlopig. Ik ben al benieuwd naar het najaar. (lacht) Het is ontzettend bijzonder. Ik zou mij superbescheiden kunnen opstellen, maar ik ga dat niet doen. Ik ben echt fucking trots op de films waar ik kan en mag meewerken en op de mensen met wie ik mag samenwerken. We hebben in België een gigantische hoeveelheid talent in huis. Ik hoop dat dit land — en dan kijk ik naar de overheden en fondsen — zijn best zal doen om dat talent hier te houden. En om ervoor te zorgen dat het soort films dat wij maken ook mogelijk blijft en dat die ook een publiek kunnen vinden. Want dat is echt een grote uitdaging.
Je hebt het nu ook over Dust, veronderstel ik. Die film was verfrissend internationaal van opzet, door het verhaal, de look, de mix van talen en de diverse co-producenten. Hij zag er ook on-Vlaams uit.
Het gaat erom dat je durft iets te maken dat echt van de streek is. Een scène over een pistolet met crèmepaté heeft volgens mij veel meer internationaal potentieel dan een scène met een cream cheese bagel. Dat hadden we er ook van kunnen maken, vanuit de gedachte dat de Amerikanen het dan zouden herkennen. Maar door het te vertellen zoals het hier in 1999 geweest moet zijn, trek je die wereld net veel meer open. Want de thema’s, de personages en het verhaal zijn wel universeel.

Coward gaat over de Eerste Wereldoorlog en de jongens aan het front. Hoe ben je bij dat onderwerp uitgekomen?
Ik ga meteen de premisse van de vraag corrigeren. Coward speelt zich af tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar de film gaat er niet over. Dat is een belangrijke nuance. Coward gaat over de Eerste Wereldoorlog zoals Girl over ballet ging. Het is de arena, een genre waar verwachtingen bij horen van een publiek. Eigenlijk is het begonnen toen we oude foto’s tegenkwamen waarvan we aanvankelijk niet geloofden dat die echt uit de oorlog kwamen. Ze leken heel erg iets van vandaag. We zijn toen zwaar in de archieven gedoken, en daar ontdekten we niet alleen dat die foto’s wel degelijk bestaan maar ook dat je ze aan alle kanten van de oorlog terugvindt. Zowel bij de Belgen als bij de Duitsers, de Britten en de Fransen. Het viel ons op dat er een eenzijdig beeld van de oorlog en van mannelijkheid tijdens de oorlog is opgehangen, dat vervolgens het heersende narratief is geworden. En dat narratief uitdagen, daar houden wij ons graag een paar jaar mee bezig.
Waar hebben jullie die foto’s oorspronkelijk gevonden?
Lukas had die ergens in een boek gezien. En dan was het zoeken naar archieven. We zijn naar het Imperial War Museum in Londen gegaan, waar een fantastische collectie en archief is. Het hele museum staat vol uniformen en wapens en veldslagen en al dat soort dingen. Maar er is heel weinig informatie over hoe de soldaten leefden, hoe ze naar elkaar keken, hoe ze omgingen met de gruwel en ondertussen probeerden om niet alleen in leven te blijven maar ook hun menselijkheid te bewaren. De historische foto’s die we vonden, vermengden zich al snel met beelden die vandaag in de media verschijnen, van het front in Oekraïne en de genocide in Gaza. Je ziet overal dat mensen proberen om mensen te blijven. Daar zit een verschrikking in maar ook een schoonheid die ons aantrok.
Wat is volgens jou dan het verkeerde beeld dat we allemaal hebben van oorlog?
Ik heb nooit een oorlog meegemaakt, dus je gaat me zeker niet horen vertellen wat het juiste beeld is. Alleen dat er ook andere beelden zijn. Na de Eerste Wereldoorlog kreeg je door de — terechte — democratisering van de fotografie en de cinema de opkomst van een populaire beeldcultuur, met helden en overheersers. Of dat nu soldaten of cowboys of superhelden zijn. Oorlog werd entertainment. Al op het einde van de Eerste Wereldoorlog konden rijke Britten rondleidingen langs het front boeken. Er was al een soort ramptoerisme. Het appelleert blijkbaar aan een diep menselijk verlangen om te kijken naar dingen en mensen die ontploffen.

Coward koppelt er een verhaal aan van jonge soldaten die elkaar entertainen en toneeltjes opvoeren.
Ook dat is een groot deel van de research geweest. Daarvan hebben we zowel fotomateriaal als programmaboekjes en dagboekverslagen van teruggevonden. Opnieuw aan alle kanten van het front. Dat vonden we fascinerend en troostend.
Hoe moeilijk was het om in het hoofd te kruipen van iemand van meer dan 100 jaar geleden? Of zijn we uiteindelijk toch allemaal dezelfde?
Veel zijn we niet veranderd. Je moet die dagboeken maar eens lezen. Ik ga wel eens naar een operazaal waar mij dan soms verhalen van 400 jaar geleden worden voorgeschoteld. En ook die ontroeren mij nog. En die van 2.000 jaar geleden ook. Ik denk dat de condition humaine in dat opzicht niet zoveel verschilt. De context is anders, maar het interessante aan geschiedenis is dat we kunnen proberen om die context te begrijpen. En dan zie je al heel snel grote parallellen met vandaag.
Heb je geprobeerd om de personages de spreekstijl van toen mee te geven?
Kijk, ze klinken niet als de cast van Putain. Het is geen weergave van het hedendaagse patois dat op straat leeft. De personages klinken ook niet zoals afleveringen van Witse uit 1997. Zoals altijd hebben we gezocht naar een soort neutraliteit in taal. We hebben natuurlijk wel veel advies ingewonnen, maar we hebben niet specifiek met dialectcoaches gewerkt om mensen te doen klinken zoals mensen in de dagelijkse omgang zouden hebben geklonken in 1916. Dat weten we trouwens niet exact. Het is ook niet omdat we een film maken die zich meer dan 100 jaar geleden afspeelt dat we het verhaal volledig in die tijd moeten steken. We maken nog steeds cinema voor vandaag. We hebben wel uitgebreid onderzoek verricht naar alle feiten, alle uniformen. Al die details zijn historisch correct, omdat we dat willen inbedden in die beeldcultuur.
In Coward keer je terug naar de Westhoek, met zijn klei en modder. Het doet meteen denken aan Dust, waar de hoofdpersonages op een bepaald moment met hun chique schoenen door de akkers ploeteren.
Voor mij was Dust een versie van Jurassic Park. Ergens in de middle of nowhere, waar er hoofdzakelijk modder is, wilden mensen iets bouwen wat groter is dan de natuur, in de hoop daar rijk mee te worden. En dat deden ze door een constructie van staal en beton en heel veel glas te zetten. Maar toen er een heftige storm uitbrak, moesten ze vluchten voor hun leven. Net als in Jurassic Park dus.
Nog één iets: er is tegenwoordig veel te doen rond AI. Sommige filmmakers, zoals Steven Soderbergh, Doug Liman en Darren Aronofsky, lijken de technologie nu plots te omarmen. Jij bent voorzitter van de Raad van Bestuur van auteursrechtenorganisatie deAuteurs. Is AI een heikel thema voor jou?
Als het gaat over creativiteit of over onze sector, zal AI zoals steeds veel sneller gebruikt worden door bedrijven die snel geld willen verdienen. Op het moment dat technologie gedemocratiseerd wordt, ontstaat er altijd rommel en brol, tot we er met z’n allen een beetje mee kunnen werken. Ik ben eerder conservatief op dat vlak, zeker ook vanuit deAuteurs. Want eenmaal al ons werk in AI gestopt wordt, kunnen we het er niet meer uithalen. En we worden er ook niet voor vergoed. Ik pleit er dus bij al mijn collega’s voor om een deftige clausule in ons contract te laten zetten dat ons werk daar niet voor gebruikt mag worden. We moeten ons beschermen.